De Baggelbeer

Het is 1920. In de Doezumermieden huist de Baggelbeer, een monster. Niemand heeft hem ooit gezien, maar iedereen in de streek weet hoe hij er uit ziet. Henderikus Hut uit de Peebos is echter niet bang en zwerft graag in zijn eentje door het gebied. Telkens wordt hij gewaarschuwd voor de Baggelbeer. Zijn moeder is doodsbang en verbiedt hem keer op keer alleen op pad te gaan.
Op een dag in oktober is het koud en mistig. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van zijn moeder gaat Hendrikus toch naar de Doezumermieden. Hij geniet van het buiten zijn, maar is met dit spookachtige weer toch ook wel een beetje bang geworden van al die verschrikkelijke verhalen. Er gaan geruchten dat er al drie kinderen zijn verdwenen en dat ze zijn verslonden door de beer…
Als Henderikus ver buiten gezichtsafstand van zijn ouderlijk huis is, hoort hij een hoop kabaal in een van de met wilgendichtgegroeide petgaten. Hij schrikt zich dood en zet het op een rennen. Door de mist ziet hij een een ander petgat over het hoofd en loopt pardoes het water in. Meteen zakt hij weg in de decimeters dikke veenprut. Ondanks dat hij dicht bij de kant is, kan hij er niet meer uitkomen. Hij krijgt geen houvast en zakt steeds verder weg. Dan hoort hij opnieuw een hoop lawaai.
Uit de mist doemt een schim op van een groot beest. Henderikus denkt dat zijn laatste uur geslagen heeft. Hij roept om hulp, maar niemand hoort hem hier natuurlijk. Het dier is nu zo dichtbij dat hij hem kan horen snuiven. En dan ziet Hendrikus dat het geen beer is maar een prachtige grote reebok die hem nieuwsgierig aankijkt. Hendrikus haalt opgelucht adem en ziet tot zijn grote verbazing dat de ree naar de kant loopt en zijn kop naar beneden steekt. Hij biedt zijn gewei aan. Hendrikus pakt het vast en de bok begint te trekken. Het lukt Henderikus daardoor zowaar om los te komen en op de kant te klauteren.
Uitgeput valt Hendrikus op de kant. Als hij weer opkijkt is de reebok verdwenen. Beteuterd bekijkt hij zijn natte kleren die onder de bagger zitten. Met grote schroom loopt hij naar huis. Dichter bij huis hoort hij zijn moeder en andere mensen. Ze roepen bezorgd zijn naam. ‘Hier ben ik’, roept Henderikus als hij de mensen eindelijk ziet.
‘Wat heb jij in vredesnaam gedaan’, zegt zijn moeder boos en bezorgd tegelijk. In een flits bedenkt Henderikus dat niemand het verhaal van de reebok zal geloven.
‘Ik heb gevochten met de Baggelbeer en ik heb het monster verslagen