Een eierhandel en bodedienst in Grootegast

De eierhandel is opgezet door mijn opa Hendrik Bijmer. Mijn opa werd ziek en vlak voor de oorlog hebben mijn vader en zijn broer Albert de zaak overgenomen. In het begin liep het wel redelijk maar beide mannen waren nogal verschillend van aard. Mijn vader was een hele conservatieve man met conservatieve denkbeelden en voor mijn oom Albert was niets te gek. Hij is overal geweest, in Engeland, in Australië en in de oorlog zat hij in het verzet. Ik kwam uiteindelijk ook in de zaak terecht. Een vervolgopleiding was er niet bij, daar werd niet over nagedacht. We hadden een bedrijf dat leefde van de toenmalige, kleinschalige boerenstand. Want iedere boer had niet alleen en paar koeien maar ook een paar kippen. ’s Zomers leefden ze hoofdzakelijk van de melk en ’s winters gaven ze minder melk. Dan moest er bijgevoerd worden, dat kostte wat meer. Dan hadden ze de kippen aan de leg en ‘s winters waren de eieren het duurst. De eieren werden door ons ingekocht op gewicht en vervolgens gesorteerd, geschouwd, doorgelicht en in zes verschillende gewichtsklassen verdeeld en vervolgens geëxporteerd naar Engeland, Duitsland en naar het Amerikaanse bezettingsleger. Dat laatste was nog een beetje bijzonder want die mensen hadden hele bijzondere eisen. Er mochten niet meer dan zoveel procent bruine eieren bij zitten. Er mochten niet meer dan zoveel procent van de eieren met de punt naar boven in een tree zitten. Dit laatste omdat een dooier, als die ouder wordt, gaat drijven. En vervolgens moesten de eieren ook nog eens een keer naar de Stad gebracht worden en daar werd er een olielaagje omheen gedaan. Dan pas wilden de Amerikanen ze hebben. Je kan best zeggen dat ze eigenzinnig waren wat dat betreft.
De tweede manier waarop we aan eieren kwamen was via de plaatselijke kruideniers. Ze brachten levensmiddelen bij de boeren en namen eieren mee terug. Dat werd dan met elkaar verrekend. Die werden dan op dezelfde manier bij ons verwerkt. Dat was dan de grossiersfunctie, verder exporteerden en leverden we weer aan andere grotere bedrijven. Het was allemaal wel kleinschalig, maar al die facetten zaten er in. Daar heb ik ook een opleiding voor gevolgd. De laatste was voor exporteur en daarvoor moest ik naar Utrecht toe, één keer in de veertien dagen. Ik had goed en wel mijn diploma en toen zeiden ze, dat is niet meer nodig, als u voldoet aan de inrichtingseisen is het genoeg’.
In 1960 is de Europese Unie opgericht. Toen kwamen er een heleboel Europese subsidies los en net als nu, was Nederland roomser dan de paus en mochten de eieren niet gesubsidieerd worden. Dat vonden ze in Nederland niks, dus de eierhandel liep binnen de kortste keren terug. Er waren vrij veel eierhandelaren in deze buurt, in Rottevalle, Boerakker, Nuis en in Leek zat een hele grote, de gebroeders Wouwenaar. Op een gegeven moment was het zover teruggelopen dat er onvoldoende werk was. Daar moest uiteraard in voorzien worden. En op een bepaald moment deed zich de gelegenheid voor om een bodedienst over te nemen. Het was de boderit van Sas van der Velde, die toen 68 jaar was. Hij had 40 jaar heel zwaar lichamelijk werk gedaan en met veel pijn en moeite heeft hij afstand gedaan van zijn bodedienst. Een bodedienst was een vervoerbedrijf, dat met vergunning, met name in de genoemde plaatsen goederen van en naar een bepaalde plek toebracht. Voor mij was dat Groningen, ik begon in Oostermeer tot aan Niekerk toe. Daar haalde ik pakjes of bestellingen op en die bracht ik dan naar Groningen toe. De bestellingen werden dan weer op het bodeterrein aangeleverd en die gingen dan weer met mij mee terug en werden dezelfde avond afgeleverd. Dat was twee dagen in de week maar doordat de eierhandel steeds verder terugliep kwam daar minder werk in. Toen heb ik in de loop der jaren alles wat er aan concurrentie was erbij gekocht. Dat was Hofsteenge uit Grootegast, Winstra uit Surhuisterveen en Land uit Harkema. Zodoende kwam ik op een heel lang traject. Ik dacht ‘mijn kostje is wel gekocht’. Het was altijd wel hard werken maar we hadden een heel goed bestaan. Maar voor de tweede keer ging onze overheid weer vreemde dingen doen, we hadden een onderscheid tussen geregeld en ongeregeld vervoer. Je kan het, het beste vergelijken met een busdienst. De busdienst die alle dagen op een vaste tijd naar een bepaalde plaats gaat, dat is dan geregeld vervoer en de touringcar chauffeur die het hele land door zwerft dat is dan ongeregeld vervoer. Bij geregeld vervoer mochten we nooit meer lading hebben dan van twee verladers, dat waren ook bepaalde verplichtingen. We moesten ook altijd rijden, werk of geen werk. Vakantie was er nooit bij. Mocht er oorlog komen, dan waren we verplicht om de post te verzorgen en zo waren er nog een aantal dingen. We mochten ook speciale poststukken vervoeren, daar hadden we een speciale vergunning voor. Dat was puur om bestellingen van middenstanders uit de dorpen naar de tussenhandel in Groningen te brengen. Elke winkelier had zijn grossier, de ene was voor snoep, de andere was voor sigaretten en noem maar op. Het werd relatief goed betaald omdat het heel bewerkelijk was. Later zijn we ons meer op de verhuismarkt gaan begeven. Dat was wel dubbel, je moest verplicht de boderit doen en je moest verhuizen. Er was maar één auto dus het was altijd schipperen om het rond te krijgen. Dat hebben we jaren gedaan, in 1980 hebben we de bodedienst verkocht en ben ik aan het werk gekomen bij een verhuisbedrijf.

Henk Wierenga (geboren 23-11-1940)

Interview:
In het kader van het ‘Streektoal project Grootegast’
2006

Interviewer: Geesje Vos en Alie de Vries

In opdracht van de RUG
Professor Siemon Reker