Boerderij aan het Holmerpad in Tolbert

Een groot deel van het Westerkwartier ligt op een uitloper van de Hondsrug, een zandrug met de dorpen Oostwold, Lettelbert , Midwolde en Tolbert in de gemeente Leek en Niebert, Nuis, Marum en De Haar in de gemeente Marum.
De boeren hier aan het Holmerpad kregen allemaal een perceel land van vijftig of honderd meter breed, zowel naar het zuiden als naar het noorden. Dat mochten ze allemaal ontginnen, de bossen er af halen en hoe harder ze werkten, hoe meer grond ze hadden. Zo zijn de opstrekkende heerden ontstaan, die van noord naar zuid lopen, wat uniek is in Nederland. Er is maar één plaats waar dat ook zo is en dat is in Staphorst. Daar zie je ook, net als hier, een heleboel elzensingels. Water was van groot belang voor de ontwikkeling van dit gebied en zo werd in 1905 de Tolbertervaart gegraven en geopend door de heren van Nienoord. Dit met de bedoeling om Tolbert te ontwikkelen en een economische impuls te geven, want toen waren er nog geen vrachtauto’s. De schepen kwamen tot hier om aardappels voor de aardappelmeelfabriek en stro op te halen en ze brachten pulp terug van de suikerfabriek. Die pulp was bestemd voor de boeren. In een schip kon ongeveer vijfenveertig ton. Het ging via het Leekstermeer en het Leekster Hoofddiep door verschillende sluizen de Tolbertervaart op en op zo’n schip zat vracht voor zo’n zes, zeven boeren. Die maakten met elkaar het schip leeg en de pulp kwam op boerenwagens en dat brachten ze dan naar iedere boer toe. Dit alles in gezamenlijkheid.
Voordat de Tolbertervaart er was, liep er een weg van het Holmerpad naar de Brandparken op Diepswal. Er zijn nog twee stukjes van het originele pad van negentienhonderd , een klein hoekje loopt er nog bij langs en dat is de weg van Tolbert naar Zevenhuizen.
Mijn vader en moeder hadden een gemengd bedrijf in Tolbert, ze hadden zowel koeien als bouwland en dat hield in dat ze nooit vrij waren. Na schooltijd moesten wij meehelpen op het bietenland en aardappels rooien. We hadden vier are met aardappels; de grootse werden verkocht en de kleinste werden bewaard als pootaardappels. Als we klaar waren, kregen we een vlieger. We konden van alles maar we konden geen vlieger maken die de lucht in ging en toen heeft een timmerman een echte vlieger voor ons gemaakt. ’s Morgens voordat mijn broer en ik naar school gingen, bonden we de vlieger aan een afrasteringpaaltje en dan ging hij de lucht in. Als we uit school kwamen stond hij nog in de lucht.
In negentienzestig hebben mijn vrouw en ik de boerderij overgenomen en hebben we het bouwland weggedaan en er allemaal grasland van gemaakt. We hebben sloten gedempt en houtsingels gekapt en zo hadden we mooie grote percelen bij de boerderij. Op die manier hebben we iedere keer wat uitgebreid. Het eerste jaar hadden we veel pech omdat er nog wel eens een koe dood ging of kalfjes die tijdens de geboorte doodgingen, omdat we een eigen stier hadden. In negentientachtig kwam het melkquotum, waardoor we eerst wat minder koeien konden houden. Later hebben we er wat quotum bijgekocht en op die manier hebben we onze tijd hier doorgebracht. In negentiennegenennegentig moesten we vanwege gezondheidsproblemen de boerderij aan de kant doen en dat heeft ons een heleboel verdriet gedaan. In ieder geval, we hebben het bedrijf en de koeien van de hand gedaan en het melkquotum verkocht en zijn met iets anders begonnen. We zijn met een theetuin begonnen en hebben de boerderij omgebouwd voor logies met ontbijt en er staan nu drie logeerhuisjes bij de boerderij. Dat geeft een heleboel plezier in het leven en we kunnen ons redelijk goed redden. We hebben ook een website want dat ‘moet’ tegenwoordig. Voor ons is dat niet zo makkelijk want we zijn er niet mee opgegroeid, maar ja het hoort erbij….

Jaap Lise (Geboren 1946)

Interview:
In het kader van het ‘Streektoal project Leek’
2006

Interviewer: Geesje Vos en Alie de Vries

In opdracht van de RUG
Professor Siemon Reker