Postkoetsier Jans Nanninga

In 1866 werd de spoorlijn van Groningen naar Leeuwarden geopend. Het dorp Zuidhorn, centraal aan de lijn gelegen, ontwikkelde zich tot distributiepunt voor posterijen. Het bezorgen van de brieven en telegrammen gebeurde met postkoetsen. Er reden postkoetsen op Leek-Tolbert en op Niebert-Nuis-Marum-Opende-Grootegast. Naar Ezinge-Oldehove reed een postsjees, met een kap erop en één paard.

Rond 1908 was de route van de postkoets naar Marum het domein van koetsier Jans Nanninga. Hij had een kruidenierszaak in Zuidhorn, die gerund werd door zijn vrouw. De postdienst werd geëxploiteerd door de oom van Jans, die ook eigenaar was van de bakkerij annex molen te Niebert. Op de postkoets reed altijd een postbeambte mee om de post onderweg af te geven. Een geweer lag op de bok om gespuis weg te houden. Soms nam de koets passagiers mee. De postkoets reed elke dag volgens een vast schema. Jans vertrok om 12.00 uur voor de route Faan-Niekerk-Oldekerk-Boerakker-Niebert. Om 18.00 uur stopte hij bij de molen in Niebert voor een pauze van zes uur. De weg werd om middernacht weer hervat voor de rit Nuis-Marum-Opende-Doezum-Grootegast-Niekerk. Om 6 uur ’s ochtends arriveerde de koets weer in Zuidhorn. Daarop volgde een rustpauze van zes uur.