Rudolph de Mepsche, borgheer van Bijma te Faan (1695-1754)

Rudolf de Mepsche was jonker en grietman van Oostlangewoldsteradeel, maar hij is vooral bekend geworden vanwege het Monsterproces van ’t Faan in 1731. De Mepsche woonde op de borg Bijma in ’t Faan, die hij samen met de borg Bloemersma in Niekerk had geërfd. De man werd door zijn collega-jonkers gezien als een politieke indringer, met name door de familie Clant van de Hanckemaborg in Zuidhorn, die op dat moment de macht in dit deel van het Westerkwartier in handen had.

In 1731 zette Rudolf de Mepsche als grietman van ’t Faan een proces in gang tegen een groep mannen die volgens hem verdacht werden van homoseksuele handelingen. Hij voelde zich gesteund door de preken van de dominee van Faan, Niekerk en Oldekerk, de heer Van Bijler, die tevens het pamflet 'Helsche Boosheit of grouwelyke zonde van Sodomie' had geschreven. De Mepsche liet 35 mensen gevangen zetten in de schuur van de borg en vervolgens martelen om een bekentenis af te dwingen. Van de 24 ‘verdachten’ was één al overleden voordat de vonnissen werden uitgesproken. Twee gevangenen werden wel schuldig bevonden, maar vanwege hun jonge leeftijd tot gevangenisstraf veroordeeld. Uiteindelijk werden 21 mannen op 24 september 1731 ter dood gebracht op de gerichtsplaats in Zuidhorn door wurging en verbranding.

Al snel kwam grote kritiek op het proces, waarbij men twijfelde of De Mepsche uit overtuiging de groep mannen had laten ombrengen als wel zijn politieke tegenstanders dwars had willen zitten. Het geld dat hij volgens gebruik had moeten ontvangen van de erfgenamen van de veroordeelden ging na een proces aan zijn neus voorbij. Hij ging in 1746 failliet. Drie jaar later werd hij benoemd tot drost van Westerwolde. Zijn benoeming was de beloning voor zijn steun aan Willen IV, die in 1748 stadhouder van de Verenigde Nederlanden werd.