Ijkpunt 1: Het ‘ravijn van Boerakker’

Ten noorden van de A7 bij Leek ligt een stroomdalletje dat bekend staat als ‘het ravijn van Boerakker’. Het watertje is een zijtak van de Oude Riet, een zeearm die ooit vanuit de Lauwerszee diep het land instroomde.

 De bijzondere vorm van het dalletje kan verklaard worden door de aanwezigheid van een potkleilaag. In dit gebiedje zijn zeer veel archeologische vondsten gedaan, zoals krabbers, bijlen, pijlpunten en haardkuilen. Het zijn sporen van de eerste mensen in het Westerkwartier, van onder andere de Rendierjagers, de Trechterbekercultuur en de Klokbekercultuur.

Ongeveer 5000 jaar geleden werd het klimaat warmer en steeg de zeespiegel. In Noord-Nederland kon uitgebreidere vegetatie groeien. Mensen van de Trechterbekercultuur, ook wel bekend als de hunebedbouwers, vestigden zich. Zij hadden boerderijtjes, verbouwden gewassen en hielden vee. Hiervoor kapten ze grote stukken oerbos. Delen van de oerbossen zijn tot in de middeleeuwen gebleven. Dat is te zien aan verschillende streek- en dorpsnamen in de omgeving. Het achtervoegsel –wold betekent woud of bos, Oostwold, Midwolde, Leutingewolde, etc.
Van de Trechterbekercultuur zijn uiteenlopende vondsten gedaan.

Bij Boerakker en in de Tolberter Petten zijn verschillende pijlpunten, krabbers en vuistbijlen aangetroffen. Bij Marum zijn enkele grafheuvels gevonden.
Rond 1000 jaar voor Christus steeg de zeespiegel wederom. Het veenmoeras groeide aan. De sporen van de Trechterbekercultuur verdwenen onder het veen. Het Zuidelijk Westerkwartier werd ondoordringbaar, totdat in de middeleeuwen kolonisten vanuit het noorden kwamen.

Potklei
De ondergrond van Noord-Nederland werd tijdens de recente ijstijden gevormd. Deze periode heet het Pleistoceen en duurde van 2 miljoen jaar voor Christus tot circa 10.000 voor Christus. Binnen het Pleistoceen wisselden zeer koude en matig warme perioden elkaar af. Tussen 475.000 tot 410.000 jaar geleden heerste zo’n koude fase, het Elsterien. Heel Noord-Nederland was toen bedekt met landijs. Het bekendste spoor dat het Elsterien naliet is potklei. Deze klei werd vanaf de middeleeuwen gebruikt voor het maken van aardewerk en ontleent daaraan zijn naam. In het Westerkwartier is een potkleilaag aanwezig ten noorden van de A7 bij Leek, ook wel bekend als ‘het ravijn van Boerakker’.

Keileemruggen
Tijdens het Saalien, van 240.000 tot 180.000 jaar geleden, stuwden ijskappen de ondergrond op waardoor keileemruggen ontstonden. Tegelijkertijd sleurden ze zand, leem en keien mee. De ijskappen maalden dit fijn en vermengden het met de ondergrond. Hierdoor werd Noord-Nederland bedekt met een laag keileem. Noordhorn en Zuidhorn liggen op zo’n keileemrug.

Zand- en sneeuwstormen
Tijdens het Weichselien, van 115.000 jaar tot 10.000 jaar geleden, naderde het landijs opnieuw. Het klimaat was koud en vochtig. De zeespiegel lag zo’n 30-40 meter lager dan nu. De kustlijn van ‘Groningen’ lag ongeveer 75 km ten noorden van Rottumeroog. Zand- en sneeuwstormen bliezen een laag dekzand over de keileem.

Rendierjagers
Circa 10.000 jaar geleden, de periode van het Holoceen, werd het klimaat warmer. De ijskappen smolten, de zeespiegel begon te stijgen en de ondiepe Noordzee liep vol water. Het zeewater overspoelde bij elke vloed het kleigebied en zette zand en slib af. Begroeide kwelders vormden zich langs de kust, stroken zand van enkele honderden tot een paar kilometer breed. Het zeewater drong door de slenken en prielen de kwelders binnen. Rivieren als de Hunze, de Eems en de Fivel stroomden vanuit het hogere achterland naar zee.

De kwelders groeiden gestaag door afzetting van de zee. Het zeewater stroomde door de rivierdalen tot achter de kwelderwallen. Op plekken waar het water niet gemakkelijk weg kon stromen, ontstonden veenmoerassen. Het moeras werd steeds verder ingesloten door de aangroeiende kwelders.
Tijdens het Holoceen was Noord-Nederland een vrij koud en droog gebied. Het was een toendra met her en der vegetatie op de droge grond. Geleidelijk kwamen steeds meer dieren als lemmingen, wilde paarden en rendieren naar het noorden, op de voet gevolgd door de jagers van de

Hamburgercultuur. De rendierjagers leefden een zwervend bestaan en waren vrijwel alleen in de zomer in het gebied. In de winter was het te koud en trokken ze naar de bergstreken, waar ze in de diepe dalen beschutting zochten. Door hun zwervende bestaan hebben de jagers weinig archeologische sporen achtergelaten. Hier en daar zijn wel enkele resten gevonden, zoals de brandkuilen bij Zevenhuizen en Boerakker, maar waarschijnlijk is bij grootschalige ontginningen het een en ander verloren gegaan.

De ‘Bevervallei’
Ongeveer 2500 jaar geleden trokken bevers vanuit het Hunzedal en de Eems langs de Oude Riet naar de polder De Tolberter Petten. Ze vestigden zich hier enige tijd. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden bij ontginningswerkzaamheden resten gevonden van nesten van hout. Stapels takkenbossen waren samengeperst en later door veen overgroeid. Ook zijn toen beenderen van bevers gevonden. Na het aantreffen van de sporen van bevers kreeg de polder een bijnaam: de ‘Bevervallei’.
#1 1,2,3,4